Klik hier voor onze collectie / Click here for our collection
 

SIERGEMBERS

Een andere verzameling zijn de siergembers behorend tot de familie Zingiberales, die gerelateerd is aan de echte gember en allen in het bezit van rhizomen. Hier willen wij ons beperken tot de geslachten Hedychium, Cautleya en Roscoea omdat deze in de Hof aan de Reune te vinden zijn.

 

Hedychium

Hedychium yunnanense

Geschiedenis

In 1783 is dit geslacht door Johann Koenig benoemd. Het woord Hedychium stamt uit het Grieks en bestaat uit het woord 'hedys' wat 'zoet' betekent en 'chion' dit is 'sneeuw'. Volgens de Latijnse uitspraak hoort het woord als volgt te worden uitgesproken: "heh-DIK-ee-um".

Het geslacht omvat plusminus 50 soorten allen op een uitzondering na voorkomend in zuidoost Azie met name in Zuid China en in de Himalaya. De enige uitzondering is H. peregrinum die endemisch is in Madagaskar. Veel soorten zijn in de tweede helft van de negentiende eeuw benaamd en in Europa geintroduceerd. In het Victoriaanse Engeland waren ongeveer 22 soorten bekend en erg populair als kas- of orangerieplant. Dit kwam waarschijnlijk door hun tropisch-voorkomen en -afkomst, terwijl de meeste soorten van nature voorkomen in de hoger gelegen, dus koelere, gebieden. Men dacht er simpelweg niet aan ze in de tuin toe te passen. Hierdoor raakte het geslacht in de twintigste eeuw in de vergetelheid tot pakweg begin jaren tachtig Tony Schilling ze opnieuw onder de aandacht bracht. Nu zijn ze weer populair met name in Engeland, Verenigde Staten en Japan, en lijkt ook het vaste land van Europa in de ban te komen. Juist omdat door nieuwe introducties uit China het aantal soorten dat in de volle grond geteeld kan worden, steeds groter wordt.

Voorkomen

Hedychiums groeien zoals gezegd vanuit dikke vleesachtige rhizomen en hebben wel iets weg van mais. De dikke rechte of gebogen stengels zijn voorzien van grote, groene, vaak geribbelde, brede lancetvormige bladeren. Waarbij de grootste soorten wel een hoogte kunnen bereiken van 3 meter. Ook zijn er soorten met roodgekleurd blad zoals H. greenii, of met roodbronzen kleur aan de onderkant van het blad. Zoals veel gembers komt H. laat uit de winterrust omdat ze een lange periode met zachte temperaturen nodig hebben om de groei te stimuleren. Veelal is dit in de maand mei het geval. Echter, door een snelle groei wordt dit meer dan goed gemaakt. In Nederlandse tuinen is H. altijd bladverliezend omdat de eerste vorst de groei altijd doet stoppen. Wel komt het voor dat in milde winters of op warme lokaties de plant de hele winter intact blijft, nieuwe stengels worden er niet meer gevormd. In juni beginnen de eerste soorten met bloeien, de meeste H. bloeien echter in de nazomer met in september de piek. Dit gegeven is danook een belangrijke leidraad bij het kiezen van een H. voor de tuin. Bloemkleuren varieren van wit naar geel naar oranje en zalmkleurig waarbij de lange meeldraad vaak een contrasterende kleur heeft. Al met al geeft juist deze opvallende meeldraad de bloem een zeer hoge decoratieve waarde. De vroege bloeiers zijn voor ons klimaat de beste keus, zeker omdat deze ook het meest winterhard zijn. Na de bloei komt er nog een toegift in de vorm van zaadbollen die als ze openbarsten fel oranje van binnen zijn met dieprode vlezige aanhangsels waarin de zwarte zaden zitten. Al met al een prachtig geheel in contrast met de donkergroene bladeren.

In de tuin

H. zijn makkelijke planten die ieder jaar zonder problemen terugkomen en zich uitbreiden. Ze houden van veel water en mest en de juiste standplaats. De beste plek voor H. is een plek in de volle zon en in warmere streken in de (half)schaduw. Soorten als H. densiflorum, forestii, spicatum en yunnanense doen het niet in de volle zon, ook niet in ons Hollands klimaat. H. is met name interessant voor die tuiniers die zoeken naar planten met een tropische uitstraling, die toch voldoende winterhard zijn. Naast de bloei en de zaden biedt de plant het hele groeiseizoen een tropische aanblik door zijn dichte, weelderige blad. Combinaties met grassen, bamboe, tuinbanaan, Canna's, Dahlia's, varens, maar ook Rhodondendron geven een natuurlijk en oogstrelend resultaat. Zolang er voldoende gefilterd zonlicht aanwezig is zal H. het ook onder bomen doen. Verder zijn plaatsen in de buurt van water een goede mogelijkheid. In gemengde borders zal H. een goede aanwinst zijn door zijn hoogte, kleurrijke bloemen en guur. Tenslotte komen alle H. in aanmerking voor aanplant in grotere containers die spectaculair zullen ogen op terras en patio.

 

Cautleya

In 1888 is dit geslacht gevonden door Joseph Hooker en vernoemd naar Sir Proby Thomas Cautley, een britse genist die in India diende. Van nature wordt C. aangetroffen in bergrijke streken van de Himalaya zoals Bhutan, China, India, Kashmir, Nepal en Sikkim. Dit verklaard ook waarom deze soort tot de meest winterharde onder de siergembers behoort. Alle C. zijn danook bladverliezend. Qua voorkomen lijkt C. het meest op Hedychium al zijn er kleine verschillen. Zo zijn de rhizomen veel smaller en beschikken ze over smaller en slanker blad. De bloemen vertonen veel gelijkenis met die van Roscoea waarbij het voorste bloemblad omlaag gebogen staat, de zogenaamde lip van 2,5 centimeter en het achterste bloemblad daarboven als een kap uitsteekt. C. kent twee bloemkleuren, geel of oranje. Alle C. zijn betrouwbare planten voor onze tuinen die makkelijk groeien en zeer attractief bloeien. Ze houden van een plek in gefilterd licht danwel halfschaduw. Ook zijn ze makkelijk in kuipen te kweken.

Cautleya spicata

 

Roscoea

Geschiedenis

Het geslacht Roscoea is vernoemd naar William Roscoe, een stichter van de Botanische tuin van Liverpool en een vroege liefhebber van gembers. In 1804 werd de eerste soort, R. purpurea beschreven door James Edward Smith en sindsdien zijn er nog 18 soorten ontdekt. De laatste ontdekkingen zijn in China gedaan en het is niet onwaarschijnlijk dat er nog meer zullen volgen. R. komen voor in Oost-Azie met twee belangrijke verspreidingsgebieden, de eerste reikt van Kashmir, oostwaards door de Hymalaya tot in de Indiase provincie Assam. De tweede ligt in Zuid-China, de provincies Sichuan en Yunnan tot in Noord-Vietnam. Allemaal op een hoogte tussen de 1200 en 4800 meter. Dit betekent niet alleen dat R. het noordelijkste verspreidingsgebied kent van alle Gembers, maar ook nog eens groeien op het hoogste niveau binnen de familie. Er zijn danook R. die gerekend worden tot de alpine-planten. Het is danook geen verassing meer dat dit het meest winterharde geslacht is binnen de gemberfamilie.

Voorkomen

R. zijn planten die niet hoger worden dan 30 - 60 centimeter. Er worden tot vijf bladeren tegelijkertijd aangemaakt welke de stam omvatten vanuit een bolvormige bladschede. De bladeren zijn vrijwel uniform binnen alle soorten, rechtopstaand, min of meer lanspuntvormig en varierend van smal tot breder afhankelijk van de soort. De bloemen bloeien in trossen met de kenmerkende grote lip die naar beneden is gericht samen met zijdelings twee bloembladen eveneens naar onderen gericht. De bloemblaadjes spelen dus een beeldbepalende rol binnen dit geslacht.

In de tuin
Als gevolg van de goede winterhardheid en het makkelijk telen en kweken van Roscoea’s, zijn het de meest voorkomende gembers in onze tuinen. Sinds 1990 worden er regelmatig nieuwe vormen op de markt gebracht die redelijk goed verkrijgbaar zijn bij het doorsnee tuincentrum. Op deze wijze kan ook de doorsnee tuinier gemakkelijk aan planten komen.
Gewoonlijk worden Roscoea’s toegepast als bosplant of in het geval van de kleinere soorten in de rotstuin. In de praktijk blijkt echter dat deze ze veel breder toepasbaar zijn, denk bijvoorbeeld aan toepassing in de border. Over het algemeen zijn het makkelijk planten voor elke goede tuingrond zolang deze niet kletsnat is in de winter of kurkdroog in de zomer.

 
Literatuur
T.M.E. Branney, Hardy Gingers: including Hedychium, Roscoea, and Zingiber, uitgave van The Royal Horticultural Society, ISBN 0-88192-677-9.
 
Klik hier voor onze collectie / Click here for our collection